Voorrang voor grote steden

Demissionair minister van Binnenlandse Zaken, Remkes, wil extra geld steken in het veiligheidsbeleid in de 30 grootste gemeenten. Hij vindt daarbij vier partijgenoten – fractievoorzitters van de VVD in de vier grootste steden – op zijn weg.

Door Frits Huffnagel, George van Gent, Albert van den Bosch en Peter Smit

Nederland moet veiliger. Toenemende criminaliteit, geweld en wetsovertredingen die worden geduld tasten fundamentele zekerheden en het gevoel van veiligheid aan, zeker als de overheid onmachtig of onwillig lijkt om daartegen op te treden.

Bovenstaande passage komt uit het strategisch akkoord dat in juli vorig jaar werd gesloten. Nog nooit was de steun zo groot om het onderwerp veiligheid, waar de VVD zich als ‘crimefighter’ al jaren hard voor maakt, bovenaan de politieke agenda te zetten.

Het is zaak om aan de vooravond van nieuwe verkiezingen, in economisch slechte tijden, keuzes te maken. Minister Remkes (Binnenlandse Zaken) is voorstander van verdeling van het veiligheidsbudget over de meest onveilige steden. Maar als het volgende kabinet daadwerkelijk de veiligheid wil verbeteren zal het moeten investeren in de veiligheid in de vier grootste gemeenten. De jeugdpreventie en de aanpak van veelplegers, die het gros van de overlast verzorgen, moeten daarbij prioriteit genieten.

Vorig jaar presenteerde ex-minister Van Boxtel zijn tussenstand Grote Stedenbeleid. Daaruit blijkt dat in de G4, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, het subjectieve gevoel van onveiligheid, in tegenstelling tot in de 21 middelgrote gemeenten (G21), toenam. Sterker, het aantal mensen dat zich in het algemeen wel eens onveilig voelt, lag in de G4 op het hoogste niveau ooit gemeten, terwijl het in de rest van Nederland afnam.

Waardoor onderscheiden de G4 zich in negatieve zin? Bij uitstek worden de G4 geplaagd door groepen van zogenaamde veelplegers, vaak recidiverende junks, die verantwoordelijk zijn voor rond de 30 procent van de ‘kleine’ criminaliteit. Langdurige afscheiding van de maatschappij van deze groep is nodig om deze daders daadwerkelijk, verplicht, te laten afkicken en zal de criminaliteit onmiddellijk doen dalen. Dit vergt uitbreiding van de celcapaciteit. Onorthodoxe alternatieven, zoals door hoofdcommissaris Van Riessen van de Amsterdamse politie geopperd, zoals verplichte opvang van langdurig verslaafden in een zorgboerderij buiten de stad, verdienen nader onderzoek.

De tweede groep die zich proportioneel sterker laat gelden in de G4 is die van de jeugdige criminelen. Een extra belangrijke doelgroep aangezien de grote, georganiseerde misdaad niet alleen lonkt, ze worden daarvoor zelfs gerecruteerd. Het aantal criminelen in de leeftijdscategorie van 12 tot en met 24 jaar per 1000 inwoners is in de G4 gemiddeld 37 en voor de G21 gemiddeld 29. Ter vergelijk: voor heel Nederland lag in 2000 het aantal criminelen per 1000 jongeren van dezelfde leeftijdsgroep op 23.

Een belangrijke nuancering bij de groep jeugdige criminelen, met verstrekkende gevolgen met betrekking tot het te voeren beleid, is op zijn plaats. Binnen deze groep jonge criminelen is het grootste probleem de harde kern die zich stelselmatig schuldig maakt aan delicten als vermogensmisdrijven, (poging) tot inbraak en/of geweldsdelicten.

Jeugdige criminelen die (nog) niet aan dit profiel voldoen worden gerekend tot de zogenaamde aanwasgroep. Zowel deze groep als de harde kernen bestaan uit jongeren, niet zelden van allochtone afkomst, die opvallend vaak voortkomen uit gebroken gezinnen. Ook veelvuldig spijbelgedrag en vroegtijdig schoolverlaten komen binnen beide groepen veel voor.

Welk beleid ten aanzien van deze groepen staat de VVD voor? Preventie moet hand in hand gaan met repressie. Voor de bestrijding van criminaliteit op lange termijn zijn forse investeringen in de sociale infrastructuur onontbeerlijk. Integratie en scholing van potentiële delinquenten zullen deze groep perspectieven bieden waardoor de criminaliteit een minder aantrekkelijk alternatief zal zijn. De in 2000 in onder meer Amsterdam, Rotterdam en Utrecht gehouden CRIEM-pilots (Criminaliteit in Relatie tot Integratie van Etnische Minderheden) blijken goed te werken voor de aanpak van de aanwasgroep. Ook de inzet van ambulante jeugdwerkers, die zelf ooit behoorden tot de aanwasgroep, als het inzetten van speciale jeugdteams leveren al op korte termijn een forse daling van de criminaliteitscijfers op.

Een persoonlijke, dadergerichte aanpak blijkt een goede remedie om de aanwasgroep voor een verder bestaan in de misdaad te behoeden. Dit geldt helaas niet voor de harde kern. Doordat bij deze groep een voor succes noodzakelijk moreel besef tot gedragsverandering afwezig is, pleit de VVD al langer voor een keiharde aanpak. Heropvoeding en resocialisering moet daarbij centraal staan.

In het strategisch akkoord van afgelopen zomer is 800 miljoen extra uitgetrokken voor veiligheid. De VVD wil daar nog eens 500 miljoen aan toevoegen en 150 miljoen extra investeren in de jeugdzorg. Nu eindelijk ook de linkse partijen de noodzaak van veiligheid onderkennen moet het mogelijk zijn op korte termijn resultaten te behalen. Als het nieuwe kabinet wil worden afgerekend op resultaat moet het leeuwendeel van het geld naar de plaats waar de problemen het meest pregnant zijn en het meeste resultaat kan worden geboekt: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

F. Huffnagel, G. van Gent, P. Smit en A. van den Bosch zijn fractievoorzitters van de VVD in resp. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

Bovenstaand artikel werd ook gepubliceerd in de Haagsche Courant van 15-01-2003 en verder besteedde RTV West op 14-01-2003 aandacht aan dit onderwerp.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *