Het gelijkheidsideaal en allochtone kandidaten

Kandidaatstelling is één van de hoofdfuncties van elke politieke partij en een gevoelige onderneming. Gevoelig omdat partijleden daarbij definitief zullen moeten zeggen wat ze van elkaar vinden. Er is altijd een kans op persoonlijke conflicten. In elke partij komt het op de mensen aan.

Ook de VVD heeft ervaring met dit type wrijving. De botsing Van Gijzel-Melkert lijkt een beetje op het gevecht Joekes-Nijpels uit ’86 (dat liep voor Joekes trouwens prima af: een kwart miljoen voorkeurstemmen). Maar de botsingen met allochtone kandidaten in het Haagse GroenLinks en de PvdA in Amsterdam-Zuidoost gaan veel verder dan een botsing tussen persoonlijkheden. Het gaat dan om claims, gebaseerd op verkeerde interpretatie van de filosofie van de gelijke rechten.

Gelijke rechten op een plaats op de lijst?
Het gelijkheidsidee kent grofweg twee kernbegrippen, gelijke kansen en gelijke rechten. Wederzijdse correctie is nodig, anders maak je brokken. Het doorzetten van de gelijke-rechten-filosofie kan in kandidaatstellingen tot akelige ontsporingen leiden, meestal door een overdosis goede wil. Door het gelijkheidsideaal bestaat er grote aandacht voor achterstandsgroepen, zij vormen regelmatig doelgroepen van beleid. Een voorbeeld: betere kansen op werk bieden aan bijstandsmoeders doordat er een aanspraak op kinderopvang is. Achterstandsgroepen gelijke rechten geven op bestuurs- en vertegenwoordigende functies leidt echter tot mis re. Waarom zou je je kandidatenlijst bij voorkeur inrichten met bijstandsmoeders en kinderopvangers M/V? (Niet dat dat verboden is!). Met het op de lijst zetten van bijvoorbeeld een Turk omdat hij een Turk is, loopt de gelijke-rechten-filosofie op twee manieren stuk. Ten eerste kan gelijkwaardigheid alleen maar betekenen dat iedereen in principe voor alle functies in aanmerking komt. Wat is er tegen om een raadslid van 35 te belasten met ouderenbeleid of een Marokkaan met emancipatiezaken? En ten tweede: Gelijke rechten betekenen niet dat naast mensen, ook functies en verantwoordelijkheden gelijk zijn. Zijn we consequent, dan dwingen gelijkheidsidealen om kandidaten op kwaliteiten te beoordelen, juist ongeacht herkomst, ras en sexe. Voor VVD-kandidaten betekent dat: is iemand goed liberaal, en een teamspeler, een denker, een doener, wat voor maatschappelijke ervaring brengt iemand mee? De juiste man/vrouw op de juiste plaats vraagt – omwille van de gelijkheid – om het maken van het juiste onderscheid.

Wie dat veronachtzaamt, vraagt om ongelukken. De redenering “we nemen een Surinamer, omdat hij Surinamer is”, vereist het voortbestaan van de doelgroep en belemmert integratie.
De geachte afgevaardigde moet zijn schaapjes immers niet alleen goed verzorgen (maar ook weer niet zo goed, dat ze zelfstandig verder kunnen!), maar bovendien in een aparte kudde houden. Anders gaat de achterban verloren. Je houdt groepen en scheidslijnen in stand, in dit geval etnische scheidslijnen. Het voorstel van het uit zijn fractie getreden raadslid Daskapan om in het Haagse GroenLinks de functies allochtoon-autochtoon om en om te verdelen is het summum. Omdat dit politieke model, het zogeheten “zebramodel”, op etniciteit is gebaseerd, ligt de parallel met het apartheidsidee voor de hand. En zo verkeert het gelijkheidsideaal in zijn tegendeel.

Electorale doelgroepen versus algemeen belang
Elke politieke partij streeft naar een kandidatenlijst die eerst representatief is voor die partij en herkenbaar is voor de bevolking. Mannen, vrouwen, allochtonen, ouderen, jongeren etc. De verleiding is groot. Maar als, bijvoorbeeld binnen de VVD eerst de vraag “is iemand een goed liberaal?” (etc.) beantwoord is, dan is herkenbaarheid een voordeel. Zo pakte ook de Amsterdamse PvdA het aan (zie NRC 30 november jl.). Wel een Amsterdams-Marokkaanse, Amsterdams-Surinaamse en een Amsterdams-Ghanese op de lijst, maar geen Turkse Amsterdammer. Deze (“een voortreffelijke kandidaat”) werd afgewezen vanwege nauwe banden met Milli Görüs, een vanuit het thuisland aangestuurde orthodox-islamitische groepering. Bij de vraag: “is deze man een goed sociaal-democraat?” bleven dus twijfels. Hij was kennelijk onvoldoende representatief voor de PvdA. Die nam vervolgens geen risico. Zo hoort het.

Ook de Haagse VVD-lijst mikt naast representativiteit op herkenbaarheid: een Surinaamse, een dame uit Scheveningen, één uit Benoordenhout, een aantal witte mannen van middelbare leeftijd en een Turkse Hagenaar. Maar steeds nadat de vraag beantwoord was: is deze kandidaat een goede liberaal? Alleen zo kun je voorkomen dat je als partij een stofzuigerzak met belangengroepen wordt (dat is nog eens een ander woord voor regenboog-model). In 1979 waarschuwt Bas de Gaay Fortman voor te nauwe banden van politieke partijen met actiegroepen: “Het gaat er juist om dat datgene wat door actiegroepen wordt nagestreefd zijn politieke vertaling vindt in een beleid dat ook rekening houdt met andere belangen die op het actieniveau niet steeds kunnen worden waargenomen.” (“De kunst van het ivoordraaien, handleiding voor het politieke ambacht”, pagina 98/99). Alleen in de afweging met andere belangen kan er iets van een algemeen belang geconstrueerd worden.

Zo komen we bij de eigenlijke meerwaarde van diversiteit. Zoekend naar het algemeen belang moet je problemen vanuit verschillende invalshoeken benaderen. Gedachte-experimenten kunnen weliswaar in eenzaamheid worden uitgevoerd, maar in de politiek is het verstandiger om met anderen te praten. Met anderen bedoel ik, en dus niet met mensen die gelijk zijn aan de figuur die je elke ochtend in de spiegel ziet.

Peter Smit, voorzitter VVD-gemeenteraadsfractie Den Haag

 

(Dit artikel verscheen in bewerkte vorm in de Haagsche Courant van 15 december 2001)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *